De onfrisse werkelijkheid

Benauwde, warme lokalen, stoffige ruimten, beslagen ramen en lucht waar je ‘tegenaan kunt hangen’. Wie regelmatig een school betreedt, herkent de symptomen. Op kantoor of thuis zouden we het niet pikken. Toch is een slechte kwaliteit van de binnenlucht in de meeste scholen nog steeds schering en inslag. We zouden ons collectief moeten schamen.

Benauwde, warme lokalen, stoffige ruimten, beslagen ramen en lucht waar je ‘tegenaan kunt hangen’. Wie regelmatig een school betreedt, herkent de symptomen. Op kantoor of thuis zouden we het niet pikken. Toch is een slechte kwaliteit van de binnenlucht in de meeste scholen nog steeds schering en inslag. We zouden ons collectief moeten schamen.


Terwijl we erin slagen om een verkenningsrobot te laten landen op een komeet die 500 miljoen kilometer verwijderd van onze planeet rond raast, lukt het ons maar niet om het binnenklimaat in scholen te reguleren. It’s a bloody shame.


De feiten


De feiten spreken voor zich. In 80 procent van de circa 10.000 scholen in Nederland zijn de luchtkwaliteit en de klimaatregeling benedenmaats. Dit heeft een negatieve invloed op het welzijn van leerlingen en leerkrachten en op de leerprestaties. Dit is in 2006 al wetenschappelijk aangetoond door onderzoekers van TNO Bouw en Ondergrond. Leerlingen presteren cognitief beter in goed geventileerde klaslokalen. Ze maken dan minder taal- en rekenfouten. Elke verdubbeling van de toevoer van frisse lucht leidt tot ongeveer 15 procent betere leerprestaties.


De klachten over het slechte binnenklimaat in scholen zijn niet nieuw. Tik “Frisse Scholen” in als zoekterm op Google en het zoekalgoritme komt met 87.300 hits. Al in 1999 publiceerde Stichting Bouwresearch het rapport: Naar een betere atmosfeer: hoe verbeteren we de kwaliteit van de binnenlucht in onze school?


De politiek


Vijftien jaren vlogen voorbij. In de klaslokalen bleef het zweten, puffen en afzien. Politici waren vooral met zichzelf bezig. Kabinetten kwamen en vielen. Het kabinet Balkenende IV pretendeerde een visie te hebben op het binnenmilieu van basisscholen. Het pleitte voor een integrale aanpak, maar echt krachtig kwam de boodschap niet over. ‘Het kabinet is van mening dat een verbetering van het binnenmilieu in basisscholen voor de aspecten luchtkwaliteit, stoorgeluid en temperatuur daar waar nodig wenselijk is. Kinderen brengen immers een belangrijk deel van hun jeugd verplicht door in schoolgebouwen’, zo klonk het obligaat. De doelstellingen waren weliswaar SMART, maar de horizon lag veel te ver weg. Elke basisschool zou binnen vijf jaar een CO2-meter en een beknopt bouwtechnisch advies krijgen. Binnen een periode van vijftien jaar zou het achtergrondgeluid in elk schoollokaal worden begrensd tot 35 dB(A) en voor de CO2-concentratie zou een maximale norm van 1.200 ppm moeten gaan gelden. Voor het reguleren van de temperatuur ’s zomers werd eveneens vijftien jaar (!) uitgetrokken.


Balkenende IV stelde zich verder nogal formeel op. ‘Feitelijk ligt de kwaliteit van het leef- en leerklimaat op basisscholen in handen van gemeenten en schoolbesturen. Het schoolbestuur is verantwoordelijk en aanspreekbaar voor de kwaliteit van het binnenmilieu in school. Het schoolbestuur is juridisch eigenaar van het schoolgebouw. Gemeenten bekostigen naast de nieuwbouw ook de aanpassingen aan de “buitenkant” van de scholen. Daarnaast is de opdrachtgever, waaronder de gemeente, verantwoordelijk voor het privaat toezicht bij de realisatie van de bouw bij renovatie en nieuwbouw. Het leefklimaat van de leerling is geen verantwoordelijkheid van een specifiek ministerie. Vanuit verschillende invalshoeken voelen de ministeries van VROM (milieu en gezondheid, klimaat, bouwtechnische aspecten, energiebesparing in gebouwde omgeving), OCW (onderwijs), VWS (gezondheid) en SZW (arbeidsomstandigheden) zich betrokken bij de oplossing van de problematiek.’ Met de kennis van nu zouden we zeggen: gedeelde verantwoordelijkheid is geen verantwoordelijkheid.


Het zal jullie niet verbazen dat Rijksbouwmeester ir. Liesbeth van der Pol in 2009 nog weinig verbetering bespeurde. In een kritisch rapport sprak zij over een ‘onfrisse werkelijkheid’. ‘Een schoolgebouw is meer dan een optelsom van minimale wensen’, zo constateerde zij terecht.


De noodklok


Aan het begin van het nieuwe schooljaar 2014-2015 deed BNR ook een duit in het zakje. De radiozender luidde de noodklok. ‘De lucht in klaslokalen is nog steeds ongezond, ondanks de ruim 250 miljoen euro aan investeringen van het Ministerie van Onderwijs’. De buisjes met aspirines zouden in klaslokalen niet aan te slepen zijn. Het CDA stelde maar weer eens Kamervragen, maar de tone of voice op de radio was soft. Michel Rog (CDA): ‘Ik denk dat je niet kan sollen met de gezondheid van personeel en kinderen.’


Dat de Frisse Scholen nog steeds niet gerealiseerd zijn ligt echter niet alleen aan de politiek. De directies van scholen toonden ook weinig ambitie. In het Programma van Eisen koos men standaard voor de wettelijke minimumeisen: kwaliteitsklasse C, zoals geformuleerd door ISSO, het kennisinstituut voor de installatiesector.


Een droom


Als e-installateurs moeten we denk ik ook de hand in eigen boezem steken. Te dure, verkeerde en slecht afgestelde en slecht onderhouden installaties met matige rendementen hebben het imago van onze sector geen goed gedaan. Maar ik heb gelukkig goed nieuws, in 2015 gaat het roer 180 graden om. Na een succesvolle kick-off gaan we onze droom van Frisse Scholen nu écht waarmaken. We stellen naar analogie van de duurzame tunnel Rotterdamsebaan een inspiratiedocument op. Samen met bedrijven uit de installatie- en elektrotechniek, domotica en architectuur en kennis- en onderzoeksinstellingen gaan we aan de slag om het leefklimaat in schoolgebouwen fris, schoon, gezond en energieneutraal te maken. Het inspiratiedocument helpt schooldirecties om buiten het bestek te denken en een droom na te jagen. Tegelijkertijd daagt het e-installateurs uit om met frisse, innovatieve ideeën te komen.


Collectieve intelligentie


Een integrale aanpak met de Collin-methode, inclusief co-creatie en ketenverantwoordelijkheid, is de sleutel tot succes. Het benutten van de collectieve intelligentie leidt nu al tot creatieve ideeën. Besteed de exploitatie van scholen uit aan de e-installateur. Ontwikkel een app voor leerlingen en leerkrachten om de luchtkwaliteit op school te meten. Stel een ombudsman aan en introduceer een keurmerk. Beloon goed presterende scholen; voor de underperformers is er naming and shaming. Last but not least: stel de gebruikers weer centraal. Kinderen zijn geboren probleemoplossers en komen via gaming vaak zelf met hele creatieve oplossingen. Zo transformeert een school van leerfabriek tot “the place to be”. Kortom: de collectieve schaamte over een onfrisse werkelijkheid maakt in 2015 plaats voor een nationale onderwijstrots. Daar toost ik op! Ik wens jullie een fris 2015.